Dierenartsengroep Rivierenland

Maagdarmwormen

Er zijn vele verschillende soorten maagdarmwormen. “Nematodirus battus” (voorjaarsworm) en “Haemonchus contortus” (rode lebmaagworm) zijn de belangrijkste en meest gevaarlijkste wormsoorten die we in Nederland kennen. Daarnaast komt de lintworm ook erg veel voor. Lintwormdelen zijn vaak gemakkelijk te herkennen in de mest van lammeren en jonge ooien en worden dus ook vaak gezien. De lintworm is bij schapen en geiten echter ongevaarlijk en behandeling is daarom ook niet nodig.

Nematodirus battus

Verschijnselen: De eieren van deze worm overwinteren op het land en zijn zeer bestendig tegen lage temperaturen. Na een koude periode komen de larven uit hun ei; meestal is dit in het voorjaar bij lammeren tussen de 6 en 12 weken leeftijd. Soms wordt de infectie ook in de zomer of de herfst waargenomen. De ziekte wordt bijna altijd bij lammeren waargenomen, omdat er na infectie snel een goede immuniteit wordt ontwikkeld. De lammeren hebben vaak waterdunne diarreeenorme dorst, zijn sloom en kunnen ook acuut dood gevonden worden.

Diagnose: De infectie is vast te stellen door middel van microscopisch onderzoek op de mest. Wij kunnen op onze praktijk daarmee de eieren van de Nematodirus aantonen en daarmee een infectie bevestigen. In hele acute gevallen zijn de ziekteverschijnselen al aanwezig voor dat de eiproductie van de worm al is begonnen. Dan worden er nog geen eieren aangetoond. De diagnose wordt dan gesteld aan de hand van de verschijnselen of dode dieren kunnen nog onderzocht worden door middel van een sectie.

Preventie en behandeling: Voorkom dat lammeren worden ingeschaard op land waar vorig jaar lammeren met Nematodirose hebben gelopen. Mocht dit niet mogelijk zijn en / of is de is de infectie aangetoond, dan kan er het beste ontwormd worden met een wormmiddel uit groep 1; de Benzamidazolen. Mocht er naast de Nematodirus eieren ook Haemoncus eieren zijn aangetoond, dan moet er ontwormd worden met een wormmiddel uit groep 2,3 of 4. Echt zieke dieren moeten ook ondersteunend behandeld worden.

Haemonchus contortus

Verschijnselen: De larven en eieren van deze worm overleven de winter niet op het land. De geïnhibeerde larven overwinteren in het slijmvlies van de lebmaag van het schaap. Door de verandering in hormoonbalans van het schaap rondom aflammeren ontwikkelen de larven zich tot volwassen wormen. Deze beginnen daarna direct met het uitscheiden van grote hoeveelheden wormeieren, tot wel 10.000 per dag per worm. Als deze ooien op het land komen kunnen de eieren zich verder ontwikkelen tot het laatste infectieuze stadium. De ziekte wordt meestal gezien bij de lammeren rond mei t/m augustus met de piekmaanden in juni en juli. De dieren krijgen bloedarmoede, worden sloom en lopen groeivertraging op. Er is geen diarree aanwezig en in een later stadium hoopt er ook vocht op tussen de kaaktakken. De bloedarmoede is goed te herkennen door de zeer witte slijmvliezen van het oog.

Diagnose: Ook deze eieren kunnen wij microscopisch aantonen in de mest en daarmee de infectie bevestigen. Aan de hand van het seizoen, de verschijnselen en de ontwormgeschiedenis is de acute vorm door ons ook te diagnosticeren.

Behandeling:De echt zieke dieren met bloedarmoede moeten naast de ontworming ook ondersteunend behandeld worden. Tegen deze worm bestaat er helaas al resistentie. Wormmiddelen uit groep 1 zijn niet meer werkzaam tegen Haemonchus. Tegen wormmiddelen uit groep 2, 3 en 4 bestaat in meer of mindere mate resistentie. Om er zeker van te zijn dat uw ontworming heeft gewerkt kunt u 2 weken na de ontworming de mest nogmaals microscopisch laten controleren. Als er dan geen wormeieren meer aanwezig zijn, is er op uw bedrijf geen resistentie tegen het gebruikte wormmiddel.

Hieronder staat de laatst bekende leverbotprognose van de GD Deventer:

Kans op een nieuwe leverbotinfectie in dit voorjaar zeer klein (2017)
De Werkgroep Leverbotprognose verwacht dit voorjaar dat de kans op een voorjaarsinfectie met leverbot zeer klein is.

In de vorige herfst daalde het aantal leverbotslakken sterk door de droogte. Hierdoor is nauwelijks een besmetting op het gras afgezet die mogelijk in het voorjaar nog voor een besmetting kan zorgen. De lage temperaturen in november en januari hebben er voor gezorgd dat in de winter geen ontwikkeling in de slak meer heeft plaats gevonden. Pas in februari is er weer een toename van jonge slakken waargenomen. De droogte in maart heeft er vervolgens voor gezorgd dat het aantal slakken weer is afgenomen. Het percentage besmette slakken is de afgelopen maanden zeer laag en lijkt in april gereduceerd tot nul. Gezien de klimatologische omstandigheden en de slakken waarnemingen is de kans op een leverbotbesmetting in het voorjaar zeer klein.