Dierenartsengroep Rivierenland

Leverbot

Verschijnselen

De leverbot heeft de kleine poelslak nodig om zijn levenscyclus te voltooien. In onze regio kan de kleine poelslak goed gedijen. Leverbot komen wij hier dus regelmatig tegen. De meeste problemen worden meestal van november tot april waargenomen, met een piek in het najaar en de vroege winter. Na opname van de leverbotcysten duurt het vaak zo’n 6 tot 8 weken voordat de verschijnselen optreden. De verschijnselen variĆ«ren van verminderde groei, gewichtsverlies en bloedarmoede tot acute sterfte door verbloeding. Daarnaast is de vacht vaak dor en droog en kan er zich vocht ophopen tussen de kaaktakken of in de buik.

Diagnose

Een leverbotinfectie kan aangetoond worden door middel van mest- en of bloedonderzoek of sectie op gestorven dieren. Via bloedonderzoek kunnen vanaf 3 tot 4 weken na infectie antistoffen worden aangetoond. Het beste resultaat geeft dit bij lammeren omdat bij oudere ooien antistoffen van infecties van eerdere jaren ook aanwezig blijven. Mestonderzoek is pas zinvol 10 – 12 weken na de eerste infectie.

Behandeling

Als er leverbot is aangetoond is het zinvol om te behandelen. Een eenmalige behandeling met triclabendazol (Endex) is voldoende. Dit middel pakt alle stadia van de leverbot aan. Helaas wordt er in Nederland steeds meer resistentie tegen triclabendazol aangetoond. Onlangs is in onze praktijk ook al het eerste resistentie geval aangetoond. Bij resistentie is alleen Closantel (Flukiver Combi) nog werkzaam. Dit middel pakt helaas alleen de volwassen leverbotten aan, dus is vaker behandelen noodzakelijk. Het advies is dus ook om alleen bij ernstige verdenkingen of aangetoonde leverbotinfectie te behandelen.

Hieronder staat de laatst bekende leverbotprognose van de GD Deventer:

Kans op een nieuwe leverbotinfectie in dit voorjaar zeer klein (2017)

De Werkgroep Leverbotprognose verwacht dit voorjaar dat de kans op een voorjaarsinfectie met leverbot zeer klein is.

In de vorige herfst daalde het aantal leverbotslakken sterk door de droogte. Hierdoor is nauwelijks een besmetting op het gras afgezet die mogelijk in het voorjaar nog voor een besmetting kan zorgen. De lage temperaturen in november en januari hebben er voor gezorgd dat in de winter geen ontwikkeling in de slak meer heeft plaats gevonden. Pas in februari is er weer een toename van jonge slakken waargenomen. De droogte in maart heeft er vervolgens voor gezorgd dat het aantal slakken weer is afgenomen. Het percentage besmette slakken is de afgelopen maanden zeer laag en lijkt in april gereduceerd tot nul. Gezien de klimatologische omstandigheden en de slakken waarnemingen is de kans op een leverbotbesmetting in het voorjaar zeer klein.